Vogels zijn spin in het waddenweb
Door: Tim van Oijen
Het voedselweb van het waddengebied steekt ingewikkeld in elkaar. Vissen, schelpdieren, wormen, algen: ze hebben op allerlei manieren invloed op elkaar. Biologen hebben met een modelstudie meer inzicht gekregen in de invloed van vogels op dit complexe systeem. Het effect op andere dieren is vaak negatief, maar valt bijvoorbeeld voor de Japanse oester positief uit.
Er rusten en foerageren jaarlijks zo’n 10 tot 12 miljoen (trek)vogels in het waddengebied. Het zijn toppredatoren: roofdieren die bovenaan de voedselketen staan. Ze eten naar schatting 25 tot 45 procent van de totale biomassa van de dieren die op hun menu staan. Verschillende soorten benutten verschillende voedselbronnen. Er zijn viseters zoals de grote mantelmeeuw, schelpdiereters zoals de kanoetstrandloper en wormeters zoals wulpen. Daarnaast zijn er alleseters, waaronder de kokmeeuw. Duitse wetenschappers hebben de relaties tussen alle wadvogels en hun voedselbronnen in een wiskundig model van het waddenecosysteem gezet. Elk onderdeel van het voedselweb vormt in dit model een box waar iets in (consumptie) en uit (predatie, sterfte) gaat. Naast de vogels en hun voedselbronnen zijn ook algen en detritus (dood organisch materiaal) als box in dit model aanwezig.
Predatie en competitie

Bodemdieren met een relatief lage productie, zoals de schelpkokerworm en mosselen, ondervinden eveneens een negatief effect van de aanwezigheid van vogels. Verder hebben de alleseters onder de bodemdieren net als de bovengenoemde vissoorten te maken met een dubbel negatief effect: ze worden door vogels gegeten en concurreren met ze om hetzelfde voedsel. Voorbeelden zijn de gewone strandkrab, de geschubde zeerups en de zandzager. Vogelsoorten concurreren ook om voedsel met elkaar.
Cascade

Bron:
Horn, S., C. de la Vega, R. Asmus, P. Schwemmer, L. Enners, S. Garthe, H. Haslob, K. Binder en H. Asmus (2019). Impact of birds on intertidal food webs assessed with ecological network analysis. Estuarine, Coastal and Shelf Science 219, p.101-119.