Klimaatstress waddendieren

De aarde warmt op, daar is geen discussie meer over mogelijk. Dat heeft verstrekkende gevolgen voor de levende en niet-levende natuur om ons heen. De Waddenvereniging is zich daar terdege van bewust en maakte een lijst van de belangrijkste effecten van klimaatopwarming voor de natuur in het waddengebied. Via 7 kenmerkende waddenbewoners lichten we de belangrijkste ‘klimaatstressoren’ toe.


De zeehond 

Stressor: gemiddelde lucht- en watertemperatuur
Aard: chronisch

 

Naar het zuiden trekkende vogels treffen tegenwoordig eerder een goed klimaat om in te overwinteren en hoeven dus een minder grote afstand te vliegen. Voor dieren en planten die niet wegtrekken speelt door klimaatopwarming iets soortgelijks, maar dan in tijd: steeds eerder in het jaar ervaren zij een lenteklimaat. 

In de lente lopen planten vroeger uit en worden insecten actief. In zee bloeien de minuscule algen van het fytoplankton eerder op en daar reageren weer allerlei fytoplankton etende zeedieren op, vissen die daarvan eten, enzovoort. Allerlei waarnemingen laten zien dat in Nederland de natuur na de winter inmiddels zo’n vijf weken eerder ‘ontwaakt’ vergeleken met vijftig jaar geleden.

 

Ook in de Waddenzee is dat te zien, misschien nog wel het best aan de gewone zeehond. Zeehondenmoeders werpen hun jong intussen rond 21 mei in plaats van rond 21 juni zoals vijfenveertig jaar geleden. Onderzoekers denken dat zeehonden profiteren van een grotere voorraad voedselvissen in het voorjaar, deels als gevolg van opwarming van het zeewater.

 

De kanoetstrandloper

Stressor: temperatuurverandering in andere regio’s met relatie met Waddenzee

Aard: chronisch

 

Nu biologen steeds meer gegevens verzamelen over de effecten van klimaatopwarming op de natuur, komt een vreemd fenomeen aan het licht: veel diersoorten blijken onder invloed van opwarming kleiner te worden. Zo ontdekten onderzoekers van zeeonderzoeksinstituut NIOZ op Texel, die al jaren de kanoetstrandloper bestuderen, dat dit ook bij kanoeten is te zien. Kanoeten broeden in het Hoge Noorden en trekken via de Waddenzee naar West-Afrika om te overwinteren.

 

Kuikens van kanoeten die in recente jaren werden geboren blijken gemiddeld kleiner. Het effect schreven de onderzoekers toe aan de zeer snelle klimaatopwarming in de broedgebieden. Daardoor treedt de explosieve toename van insecten in de noordelijke lente te vroeg op voor jonge kanoeten om daarvan te voldoende te groeien, voordat zij aan de trek naar het zuiden beginnen. Een bijverschijnsel van het kleinere lichaam is dat jonge kanoeten bij aankomst in Afrika een kortere snavel hebben, waardoor zij slechter bij hun voedsel van ingegraven schelpdieren kunnen.

 

De kokkel

 Stressor: (laag) zuurstofgehalte

 Aard: chronisch, soms acuut

 

Klimaatonderzoekers waarschuwen al langer dat klimaatopwarming leidt tot een toename van extreme weertypen. De hittegolven van 2018, 2019 en 2020 in Nederland lijken in dit patroon te passen. In de Waddenzee betekent een extreem warme luchttemperatuur op droogliggende platen een extreem warme wad bodem. Veel in de wad bodem ingegraven dieren kunnen hier niet tegen. De kokkel, die zich relatief ondiep ingraaft, lijkt extra gevoelig.

 

Aan het eind van de hittegolf tussen 25 juli en 15 augustus 2018 lagen platen in de Waddenzee bezaaid met stervende en dode kokkels. Omdat uit onderzoek bekend was dat van kokkels die zes uur lang waren blootgesteld aan een temperatuur van 35 °C er 100% stierf, leek het aannemelijk dat de kokkelsterfte viel te wijten aan de uitzonderlijke warmte. Tijdens de hittegolf van 2018 werden in Nederland luchttemperaturen gemeten van bijna 37 °C en in laagjes water op droogvallende platen temperaturen van ruim vijf graden boven de luchttemperatuur. Veel eiwitten ondergaan onomkeerbare veranderingen bij temperaturen vanaf 41 °C. Waarschijnlijk leidde dit, al dan niet in combinatie met zuurstofgebrek, tot de dood van de kokkels.

 

De goudbrasem

Stressor: gemiddelde lucht- en watertemperatuur

Aard: chronisch

 

Door naar het noorden trekkende klimaatzones vertrekken niet alleen soorten uit het Waddenzeegebied, of neemt hun aantal af. Een keerzijde is dat er soorten uit zuidelijker streken bij komen en van al aanwezige zuidelijke - ooit zeldzame - soorten de populaties groeien. De biodiversiteit kan hierdoor zelfs stijgen.

 

Vooral in zee is dit effect merkbaar. De jonge stadia van zeedieren zijn meestal klein en zweven makkelijk met zeestromen mee naar nieuwe plekken. Wanneer de omstandigheden daar goed zijn, het is warm genoeg bijvoorbeeld, vestigen zij zich. Volwassen vissen verspreiden zich gericht, zolang de omstandigheden geschikt zijn, en er zijn in zee nauwelijks geografische barrières. Zo is de zeebaars uitgegroeid van een zeldzame zomergast tot algemene soort, waarvoor de Waddenzee inmiddels de noordelijke grens van het leefgebied vormt. Ook sardien en ansjovis nemen toe in de Waddenzee. Zelfs de goudbrasem, een flinke vis die gegrild als grote specialiteit geldt voor visliefhebbers van landen rond de Middellandse zee, heeft zich inmiddels in de Waddenzee gevestigd.

 

De lepelaar

Stressor: temperatuurverandering in andere regio’s met relatie met Waddenzee

Aard: chronisch

 

Verschillende vogelsoorten van het waddengebied hebben hun trekvlucht naar zuidelijke overwinteringsgebieden verkort. Uit ringgegevens van vierentwintig algemene in Nederland broedende vogelsoorten, die in de winter wegtrekken, blijkt dat vanaf 1930 de overgrote meerderheid minder ver zuidwaarts gaat. Bij de kust- en wadvogels scholekster, kievit, kokmeeuw en stormmeeuw is deze verschuiving ook te zien. Toch is die minder uitgesproken dan bij landinwaarts levende vogelsoorten, mogelijk omdat geschikte winterverblijven langs de kust relatief schaars zijn.

 

Ook lepelaars trekken in de winter naar het zuiden. Dertig jaar geleden overwinterden in Nederland broedende lepelaars bijna allemaal in West-Afrika. Intussen overwinteren er steeds meer in Zuid-Frankrijk. Door de kortere vliegafstand overleven de vogels beter en krijgen ze meer jongen. Toch kiest nog de helft van de lepelaars voor oude overwinteringsgebieden op vijfduizend kilometer afstand. De waarschijnlijke reden voor dit onverwachte gedrag: jonge lepelaars leren de trekroute van oudere vogels en daarvan heeft een deel zelf blijkbaar de ‘oude’ nu achterhaalde routes geleerd.

 

De velduil

Stressor: gemiddelde lucht- en watertemperatuur

Aard: chronisch

 

Een effect van klimaatopwarming, dat onderzoekers al langer vermoedden, is het ‘meeverhuizen’ van planten en dieren met in het noordelijk halfrond noordwaarts trekkende klimaatzones. Hierdoor zullen soorten aan de zuidrand van hun oorspronkelijke leefgebied in aantal afnemen en aan de noordrand daarvan in aantal toenemen, luidde de voorspelling.

 

Precies deze voorspelling hield een team vogelbiologen uit verschillende Europese landen, inclusief Nederland, tegen het licht in een onderzoek uit 2016. De onderzoekers berekenden voor een kleine honderdvijftig vogelsoorten het voorkeursklimaat. Vervolgens analyseerden zij per soort of deze voor- of achteruit zou gaan, gegeven de klimaatopwarming tussen 1980 en 2010, en vergeleken dit met werkelijke telgegevens verspreid over heel Europa voor de soort in deze 30-jarige periode. Keer op keer bleek de voorspelling te kloppen met de werkelijkheid: vogels verlegden dus op grote schaal hun leefgebied naar het noorden. De velduil is hiervan een voorbeeld en die kan hierdoor uit Nederland verdwijnen. Er broedden in 1975 nog ruim honderdvijftig paren, in de noordelijke provincies en op de Waddeneilanden. Tegenwoordig zijn dat hooguit twintig paar velduilen.

 

De scholekster

Stressor: overstromingen door storm

Aard: acuut

 

In het verlengde van de meer extreme weertypen als gevolg van klimaatopwarming, nemen ook stormen toe. In combinatie met zeespiegelstijging neemt hierdoor de kans op het overstromen van laaggelegen kwelders rondom de Waddenzee toe. Zo overstroomt op Schiermonnikoog, tijdens het broedseizoen, steeds vaker een stuk kwelder waar scholeksters broeden, die biologen al tientallen jaren volgen. Bij zulke overstromingen gaan alle of bijna alle nesten verloren, kuikens en eieren incluis.

 

In een onderzoek werd gekeken of scholeksterparen in reactie op het overstromingsrisico hoger op de kwelder gingen broeden. Ouderparen die al langer op Schiermonnikoog broedden deden dat niet, maar zich nieuw vestigende paartjes kozen wel hoger gelegen kwelder. Echter, de gemiddelde verhoging van de broedplek over de hele scholeksterbevolking met 5 mm per jaar is onvoldoende om de stijging van de maximale hoogwaterstand ter plekke van 8 mm per jaar bij te houden.


Gerelateerd nieuws