Een eigen plek

Voor veel dieren is een eigen plek om te leven noodzakelijk, al verschilt de functie van die ruimte sterk per diersoort. Wetenschapsjournalist Marcus Werner bekijkt van zeven waddendieren hoeveel leefruimte ze ongeveer nodig hebben.

 

Haas

Leefruimte 29 hectare

Uit een onderzoek waarin de bewegingen van gezenderde hazen in weilanden in de buurt van Zutphen en in de Noordoostpolder in kaart werden gebracht, kwam naar voren dat het gemiddelde leefgebied van de gevolgde dieren 29 hectare groot was. Anders dan bij veel andere zoogdieren en ook vogels was er vaak flinke overlap in de leefgebieden, zowel bij mannetjes- als vrouwtjeshazen. Uit terugmeldingen van een groot aantal geschoten of aangereden hazen die eerder waren gevangen en van een oormerk voorzien, bleek de overgrote meerderheid zelfs maanden later zich slechts tot hooguit een kilometer van de vangstplaats te hebben verplaatst, en meer dan de helft daarvan minder dan 500 meter. De resultaten wezen uit dat hazen in Nederland nauwelijks hun leefgebied verhuizen. Ook zijn ze opmerkelijk tolerant zijn voor soortgenoten binnen het leefgebied. Een gevolg, volgens de onderzoekers, van een relatief lage hazenstand door jacht en verkeerssterfte. Daardoor was er nauwelijks concurrentie om het voedsel, voornamelijk grassen en kruiden.

 

Libellen

Leefruimte 65 m2 (verschilt sterk per soort)

Bij vissen, zoogdieren en vogels neemt de territoriumgrootte toe met de lichaamsgrootte, blijkt uit onderzoek. De energiebehoefte van een groot lichaam vraagt om de grotere voedselvoorraad van een groot territorium. Tegelijkertijd kunnen met een groot lichaam verdere voedseltochten worden ondernomen en lange territoriumgrenzen bewaakt. Ook bij libellensoorten waarvan de mannetjes territoria aanleggen op de vliegroutes van vrouwtjes, gaat deze regel over territoriumgrootte op. In een studie waarin tientallen libellensoorten werden vergeleken, hadden de allerkleinste libellen territoria van soms maar een vijfde m2, terwijl de allergrootste territoria bezetten van tot maar liefst 1.800 m2. De gemiddelde territoriumomvang was 65 m2. Van de in het waddengebied voorkomende libellen verdedigt de grote en forsgebouwde blauwe glazenmaker een territorium van 110 m2, terwijl de kleinere soorten paardenbijter en smaragdlibel territoria onderhouden van 10 en 30 m2.

 

Blauwe kiekendief

Leefruimte, 4½ km2 (vrouwtjes) en 8 km2 (mannetjes)

Deze bedreigde roofvogel broedt in duinvalleien en jaagt laagvliegend over begroeide duinen en kwelders op muizen, zangvogels en kuikens van steltlopers. Om in de eigen voedselbehoefte en die van de jongen te voorzien, speuren het mannetje en vrouwtje van een paartje blauwe kiekendieven de wijde omtrek van het nest af. In een onderzoek in Schotland, waarbij met zenders uitgeruste blauwe kiekendieven werden gevolgd, vlogen mannetjes weleens tot 9 kilometer van het nest, maar meestal niet verder dan 2 kilometer daarvandaan. Vrouwtjes beperkten zich tot hooguit 1 kilometer afstand. Het gemiddelde leefgebied werd hieruit berekend op 8 km2 voor mannetjes en 4,5 km2 voor vrouwtjes. Waarnemingen aan een paartje blauwe kiekendieven dat broedde op het onbewoonde eiland Rottumeroog stroken hiermee. Het vrouwtje verliet het 2,5 km2 tellende Rottumeroog nooit, terwijl het mannetje ook jachtexcursies ondernam naar de nabijgelegen zandplaten Zuiderduin en Rottumerplaat. Het totale oppervlak van Rottumeroog, Rottumerplaat en Zuiderduin is ongeveer 10 km2.

 

Kliplipvis

Leefruimte 15 m2 (vrouwtjes) en 1,4 m2 (mannetjes)

Biologen verschillen van mening over wanneer een breder leefgebied overgaat in een meer exclusief territorium. Sommige soorten houden felle gevechten langs territoriumgrenzen - dan is een territorium goed zichtbaar - maar niet zelden respecteren dieren elkaars territoria zonder kostbare agressie. In dat geval is veel moeilijker te bepalen of er sprake is van een territorium.

Mannetjes van de kliplipvis vormen wél duidelijk territoria. De kleine baarsachtige zeevis leeft in ondiep water met een stenige bodem, ook in de Waddenzee. Uit een Zweeds onderzoek, waarin kliplipvissen werden geobserveerd door duikers en vanaf een vlot met een glazen bodem, bleek dat mannetjes in het voorjaar territoria uitstippelden op de bodem met een gemiddelde oppervlakte van 1,4 m2. De mannetjes bewaakten hun territoriumgrens door indruk te maken op hun buurmannetjes door met hun bek half open tegenover elkaar in het water te hangen en zij aan zij met hen op te zwemmen. Daarbij vielen de mannetjes elkaar zo agressief aan dat schubben loslieten. Mannetjes kliplipvissen vonden blijkbaar het voedsel van kreeftachtigen en zeeslakjes binnen het territorium. Vrouwtjes hielden zich op in de buurt van de territoria van mannetjes, in een leefgebied van ongeveer 15 m2. Wanneer zij paairijp waren gingen zij het territorium van het mannetje van hun keuze binnen en paarden daarmee.

 

Wadpier

Leefruimte 275 tot 700 cm2

Wadpieren leven ingegraven in de bodem, waar zij zich voeden met organisch materiaal tussen de zandkorrels. Onverteerde resten van het voedsel en zand persen zij naar het oppervlak tot kenmerkende zandhoopjes die op het drooggevallen wad zijn te zien. De dichtheid van eronder levende wadpieren, het aantal dieren per vierkante meter, is daaraan af te lezen. Uit jarenlang onderzoek in de Waddenzee blijkt die dichtheid in een stuk waddenbodem van jaar op jaar opmerkelijk weinig te verschillen. In experimenten waarin kunstmatig grotere dichtheden wadpieren in de bodem werden gecreëerd, nam het aantal wadpieren per m2 altijd binnen een jaar af tot ongeveer de oorspronkelijke waarde. Wadpieren spreiden zich dus uit in de wad bodem, alsof zij elk een territorium op de wad bodem bezetten. Per m2 zijn dat 14 tot 36 exemplaren, waarmee hun leefgebied ongeveer 275 tot rond 700 cm2 beslaat. Onderzoekers verklaren dit uit het voedsel: bij meer wadpieren per vierkante meter raakt het organische materiaal uitgeput.

 

Grote stern

Leefruimte per broedpaar 0,4 m2

Veel meeuwachtige zeevogels nestelen in grote broedkolonies, waar honderden, duizenden en zelfs tienduizenden broedparen dicht op elkaar gepakt hun nesten bewaken en hun jongen voeden en beschermen. De grote stern broedt in kolonies waar de vogels hun nesten letterlijk op ‘pikafstand’ van elkaar bouwen. Elk paar neemt een ruimte in van ongeveer 0,4 m2. Voor grote sterns is het voordeel van het massaal samen broeden dat bij een aanval van bijvoorbeeld een zilvermeeuw, de kans klein is dat het eigen ei of kuiken slachtoffer is. Grote sterns nestelen vaak in de buurt van kokmeeuwen en andere sternsoorten. Zo profiteren zij van het veel agressievere wegjagen van rovende meeuwen door deze soorten.

 

Ree

Leefruimte 22-27 hectare (verschilt per seizoen)

Bij dieren die niet in staat zijn grote energiereserves op te slaan, is het biologisch gezien efficiënt om de grootte van het leefgebied waar voedsel wordt gezocht, te laten veranderen afhankelijk van de voedselvoorraad, maar ook de voedselbehoefte. Bij het ree, de kleinste van de Europese hertensoorten, lijkt inderdaad een koppeling tussen voedselvoorraad, voedselbehoefte en omvang van het leefgebied te bestaan. Reeën voeden zich met grassen, jonge bladeren en knoppen. In voorjaar en zomer bewonen vrouwtjesreeën (reegeiten genoemd) afzonderlijke leefgebieden. In een Franse studie van gezenderde reegeiten in een bos was het gemiddelde leefgebied van een geit in april 27 hectare, kromp tot onder de 22 hectare in juni en besloeg in juli en augustus rond de 25 hectare. De veranderingen in oppervlakte van het leefgebied konden worden verklaard uit het nog weinige plantenvoedsel in het vroege voorjaar, weelderige plantengroei in mei en juni, en daarna een grotere voedselbehoefte van geiten om mee aan te sterken na het werpen en zogen van hun kalf.

 

Uit het WADDEN magazine

Dit artikel is verschenen in het WADDEN magazine van maart 2022. Tekst Marcus Werner, foto’s Marcel van Kammen en Henk Postma. Wil je het magazine ook ontvangen? Word lid van de Waddenvereniging vanaf €27,- per jaar, steun ons werk en ontvang het magazine 4x per jaar in de (digitale) brievenbus.