Varen en lopen op het wad


Wadvaren en wadlopen doe je niet zomaar. Is het wad wel diep genoeg om er te varen op een bepaalde tijd, of juist droog genoeg om er te lopen? Hoe loopt de stroming, hoe staat de wind ten opzichte van de stroming? Want tegen wind én stroom optornen kan wel eens heel lastig blijken.

 


Met vloed stromen de geulen vol via de zeegaten tussen de eilanden, bij eb stroomt het water daardoor naar buiten. De stroming draait dus om. De grote geul en zijn vertakkingen vormt een getijdenbekken. Tussen deze bekkens ligt het wantij. Het wantij is ondiep omdat de stroomsnelheden er maar laag zijn. Hierdoor bezinkt er veel sediment. Voor wadvaarders is het een heel rekenwerk om te bepalen wanneer ze het wantij kunnen oversteken. Voor diep stekende jachten is het wantij maar een paar uur passeerbaar.

Zonder goede waterkaart, stromingsatlas, getijdentabel, kompas én natuurlijk het laatste weerbericht kun je dus maar beter niet het wad op gaan!

Het getij

Denk je op een warme zomerdag je handdoek op een veilige plaats te hebben gelegd, staat het water je na een half uurtje zonnebaden alweer aan de voeten. Iedereen die wel eens op het strand komt kent het wel: gedurende de dag, verplaatst de lijn tot waaraan de zee komt. Dit noemen we de getijdenwerking: de dagelijkse op- en neergaande beweging van de zee. In de Noordzee is het ongeveer twee keer per dag hoogwater en twee keer laagwater. Het tijdstip van hoog en laagwater is in elke kustplaats anders. Voor liefhebbers van de zee zijn ook eb en vloed een fenomeen. Maar hoe werkt het nou precies?

 

Invloed van maan en aarde

Het getij is een kosmisch verschijnsel. De maan heeft, qua getijdenwerking, de meeste invloed op de aarde. Door de aantrekkingskracht van de maan komt het water hoog te staan, aan de kant van de aarde die het dichtst bij de maan staat. De maan trekt ook aan de aarde zelf, maar die kracht is een stuk minder sterk. De minste kracht oefent de maan uit op het water, dat aan de andere kant van de aarde is. Daardoor ontstaat ook een hoge waterstand aan de kant waar de maan niet staat. Dit is lastig voor te stellen, maar in het WADDENmagazine is het een keer uitgelegd aan de hand van een kralenketting, een aardappel en een sinaasappel. Klik op het plaatje voor de hele strip.

 

Springtij doodtij

Naast de maan heeft ook de zon een grote invloed op het getij. Als de zon en de maan op één lijn met de aarde staan, dus met volle maan en nieuwe maan, wordt er extra hard aan het water getrokken. Hierdoor ontstaat extra hoog hoogwater en extra laag laagwater. Dit heet springtij. Als de zon en de maan elkaar tegenwerken, doordat de zon haaks op de aarde en maan staat, is het hoogwater minder hoog en het laagwater minder laag. Dit heet doodtij.

 

Getijdengolf

Omdat de aarde ondertussen ronddraait, verplaatst de hoge waterstand zich over de aarde. De aarde draait eigenlijk onder de hoge waterstand door. Dat ervaren we als de zogenaamde getijdengolf. Hoe deze golfbeweging eruit ziet, is weergegeven in de onderstaande afbeelding.

Op een vaste plek langs de kust kun je dus twee keer per dag hoogwater en twee keer laagwater op een vaste tijd verwachten. Door de draaiing van de maan om de aarde schuift het moment van hoog- en laagwater elke dag ongeveer 50 minuten op.

 

Eb en vloed

De periode tussen hoogwater en laagwater wordt officieel 'eb' genoemd. Aan het begin van ‘de eb’ is het dus hoogwater. Het woord eb wordt in de regel ook gebruikt in de betekenis van 'laagwater'. Sluizen staan dan bijvoorbeeld 'bij eb' open om het polderwater naar zee te lozen.

 

Vloed is officieel de periode tussen laagwater en hoogwater. Aan het begin van ‘de vloed’ kan je dus nog over de wadplaten lopen. De term vloed wordt ook vaak gebruikt in de betekenis van 'hoogwater', zoals in de volgende zin. ‘Bij vloed kun je niet over het Wad lopen.’ 

 

Getij in de Noordzee

De getijdegolf in de Noordzee komt uit de Atlantische Oceaan. Hij begint bij Schotland. Na een dag is deze golf bij de Nederlandse kust. In de Noordzee draait de getijdengolf tegen de richting van de klok om een aantal wervelpunten. Dit komt door de draaiing van de aarde en het is op de volgende afbeelding goed te zien. Dit verschijnsel wordt het ‘Coriolis-effect’ genoemd.  

 

In het centrum van zo'n wervel is heel weinig getijverschil. In de Noordzee liggen drie van zulke punten: in het noordoosten, in het midden en in het zuiden. De centrale wervel is de belangrijkste voor de Waddenzee. In Nederland komt de getijdegolf in Vlissingen aan, waarna hij zich naar het noorden verplaatst. Een uur of acht later is hij bij Schiermonnikoog. De hoogte van het getij heeft te maken met de afstand tot het centrum van de wervel.

 


Getij in de Waddenzee

De getijdenbeweging in de Waddenzee zoals we die nu kennen, bestaat zo sinds het afsluiten van de Zuiderzee in 1932 en van de Lauwerszee in 1969. De dammen en dijken die toen werden aangelegd hebben invloed (gehad) op de stroomsnelheid van het water. Hierdoor zijn blijvende veranderingen opgetreden in de ligging en samenstelling van de wadbodem. Dit heeft vervolgens ook invloed op het hele ecosysteem.

 

De tijden van hoog- en laagwater in zijn van te voren bij benadering uit te rekenen. Er zijn voor het hele jaar getijdentabellen, die voor verschillende plaatsen de tijden van hoog- en laagwater en de verwachte waterstanden geven. Die waterstanden kun je vinden met behulp van een kaart op de site van Rijkswaterstaat.