Pioniers van het zand
Helmgras
Helmgras houdt zand vast  Foto: Henk Postma
Helmgras
Pol helmgras  Foto: Henk Postma
Zeeraket
Zeeraket  Foto: Roy Vrouwenvelder
Blauwe zeedistel
Blauwe zeedistel  Foto: Henk Postma
Duindoorn
Duindoorn  Foto: Roy Vrouwenvelder

Duinen

Stel je een winderige dag voor. Je loopt naar het strand om even lekker uit te waaien en zodra je de strandopgang gepasseerd bent, slaat de wind in je gezicht en hoor je de zee bulderen. En als je op de terugweg het strand afloopt, wordt alles zomaar ineens weer rustig. Dat komt door de duinen: ze geven ons een gevoel van veiligheid en beschutting. Hoe ontstaat deze natuurlijke vorm van kustverdediging? En wat is er allemaal te zien als je tussen de duinen loopt?

 

Zandheuvels

Duinen zijn in feite zandheuvels met daar tussen in, lager gelegen gebieden. Dit zijn de duinvalleien. Het zand waaruit de duinen zijn ontstaan, is opgeworpen door de wind en vastgelegd door de wortels van planten. Door de voortdurende invloed van het weer (vooral van de wind) en de zee, zijn de duinen erg veranderlijk qua vorm. Toch is het een belangrijke plek voor flora en fauna: in de duinen komt een rijke en unieke planten-en dierenwereld voor. In Nederland zijn we gewend aan het bestaan van duinen, maar als je het wereldwijd bekijkt, dan zijn kustduinen een zeldzaamheid (in veel landen tref je aan de kust vooral rotsen aan).

 

Duinvorming
Het ontstaan van een duin

De zee is altijd in beweging. Door de golfslag komt er een laagje zand op het strand terecht. Een klein bultje zand kan het begin zijn van wat later een groot duin wordt. Een bultje zand, ...of iets anders. Soms spoelen er voorwerpen (een stuk hout of turf) op het strand aan, waardoor er een extra ophoping van zand ontstaat. In beide gevallen is het achter zo’n verhoging of bultje luwer (minder wind), waardoor het stuivende zand blijft liggen. Zolang het niet wegspoelt en de wind het zand blijft aanvoeren, wordt het groter, groter en groter.

Maar: er is begroeiing (flora) nodig om het bultje uit te laten groeien tot een echt duin. Zonder begroeiing zou de wind het zand op den duur weer wegblazen. Zodra er planten op het duin gaan groeien, houden de wortels het zand goed vast. Ook de stengels en bladeren van de plant zorgen ervoor dat er voldoende zand blijft hangen. Deze plantensoorten (meestal biestarwe en helmgras) kunnen tegen het zoute klimaat.

 

En dan…

Als het duin hoog genoeg is (vanaf 1 meter ongeveer), ontstaat er door de regen een zoetwaterbel in het duin. Dit zorgt ervoor dat er weer meer planten op het duin gaan groeien (omdat er nu ook zoet water beschikbaar is) en deze planten leggen ook steeds weer meer zand vast. Als de kleine duintjes die naast elkaar liggen, vastgroeien dan ontstaat er aan de landzijde een duinvallei. Vanwege de beschutte omstandigheden groeien er vervolgens weer nieuwe planten in deze vallei zoals bijvoorbeeld duindoorn.

Duindoorn geeft (door een wisselwerking met bepaalde bacteriën) stikstof af. Dit is heel gunstig voor planten zoals de vlier, brandnetels, bramenplanten en kamperfoelie. Door de combinatie van al deze planten komt er op den duur een einde aan het stuivende zand en is de duinenrij volgroeid.  Er kan dan vanaf de zeekant weer een nieuwe rij ontstaan.

In dit filmpje wordt de duinvorming en het bovenstaande verhaal in beeld gebracht. 

 

TapuitVoor ieder wat wils

In de duinen geldt een rijkdom aan natuur. Zoals je nu weet, zijn er specifieke plantensoorten die van essentieel belang zijn voor de vorming van de duinen. In ruil daarvoor biedt het duingebied ook gunstige omstandigheden voor plant -en diersoorten. Dit komt ook omdat het duinlandschap erg gevarieerd is: voor ieder wat wils. Zo zijn er natte en droge duinvalleien, duinbossen en duingraslanden. Duinen dicht bij de zee en duinen verder landinwaarts.

De Nederlandse Noordzeekust bestaat voor ongeveer 254 kilometer ( ± 40.000 hectare) uit duinen. Dit is ‘slechts’ 1 procent van de totale oppervlakte van heel Nederland. Maar: in het duingebied komt ongeveer 75 procent van de Nederlandse plantensoorten voor. Bovendien bouwen er, van de 190 soorten broedvogels die we in Nederland kennen, 140 vogelsoorten hun nesten in de duinen. De duinen zijn dan ook een belangrijke plek voor de voortplanting van veel (zee)vogels. Dat is niet zo gek: de duinen bieden beschutting tegen bepaalde weersomstandigheden, veiligheid voor rovers en bovendien zijn de duinen (op veel plekken) nog ongerept terrein.

 

Vaste gasten

Behalve vogels zijn er nog meer diersoorten die hun plekje vinden in de duingebieden. Op de eerste, lage duintjes die rond het biestarwe zijn opgewaaid, komen weinig dieren voor. De helmgrasduinen zijn soortenrijker. Hier vind je meer bloeiende plantensoorten en daarom kunnen verschillende insectensoorten daar goed toeven. Spinnen, vliegen en kevers hebben het er heerlijk.

In het duingebied wonen ook enkele reptielen en amfibieën. De poeltjes met brak water zijn de paaiplaats voor padden, kikkersoorten en in zeldzame gevallen de duinhagedis. De rugstreeppad is een veel voorkomende soort op de Waddeneilanden. In de duinen op de vaste wal vind je weer andere soorten, zoals bijvoorbeeld de groene kikker.