Vogels

De Waddenzee is een rijke en bijzondere zee. Zelfs zo bijzonder dat het een UNESCO Werelderfgoed is. Deze status dankt het gebied onder andere aan het getij. Vanwege eb en vloed is het gebied continu in beweging. Planten en dieren moeten zich hier goed op kunnen aanpassen. Dat ze dit kunnen bewijst de enorme soortenrijkdom: diersoorten komen in grote aantallen voor. Dit trekt veel vogels aan, die naar de Waddenzee komen om voedsel te zoeken.

 

Snackbuffet

De enorme soortenrijkdom maakt de Waddenzee tot een snackbuffet voor vogels. Jaarlijks doen 10 tot 12 miljoen vogels de Waddenzee aan om hun buik rond te eten. Een groot deel hiervan gebruikt de Waddenzee als tussenstop op de trekroute naar zijn broed- of overwinteringsgebied. De Waddenzee is de enige stop op de reis van duizenden kilometers. Bij laagwater eten de vogels hun buik vol. Ze zoeken bijvoorbeeld naar schelpdieren die zich schuilhouden in de slikbodem. Bij vloed zoeken de vogels een plek op de kwelder of een zandplaat
om te rusten. Wanneer het eb wordt gaan ze verder met foerageren. Na enkele weken hebben ze genoeg reserves opgebouwd om hun reis te kunnen vervolgen.

 

Vogels in het waddengebied

Het waddengebied is van internationaal belang voor 41 soorten vogels. De steltlopers, zoals de scholekster, wulp en rosse gruto, zijn het talrijkst. In de winter doen vele ganzen de kweldergebieden aan. Sterns, als de Noordse stern en visdief zijn juist zomergasten.  Ook verschillende eenden- en meeuwensoorten voelen zich thuis in het waddengebied.

  Onderstaande soorten ben je tegengekomen op de informatieborden in het Natuuravontuur  

 

Kanoetstrandloper

Kanoeten vinden hun voedsel op een bijzondere manier. Ze meten met hun snavel drukverschillen in het zand, zo kunnen ze voelen waar hun voedsel verborgen zit. Op deze manier kunnen ze tot op 10 centimeter afstand een schelpdier voelen. De kanoet eet in de Waddenzee bij voorkeur kokkels en nonnetjes. Deze schelpdieren houden zich schuil in de bodem. Bij elkaar eten kanoeten jaarlijks zo’n 1,5 miljoen kilo schelpdiervlees uit de Nederlandse wadbodem!

In de Waddenzee komen twee ondersoorten van de kanoet voor: de islandica en de canatus. De islandica broedt in Canada of Groenland en trekt via IJsland naar de Waddenzee om hier te overwinteren. De canatus broedt in Siberië en trekt via de Waddenzee naar West-Afrika om daar te overwinteren. De Waddenzee is de enige stop op zijn reis van duizenden kilometers. Om de lange reis vol te houden maakt hij zijn maag kleiner. Zijn longen en hart maakt hij juist groter. Het voedselpatroon van de kanoet ziet er zomers anders uit dan ’s winters. In de winter zoekt hij vooral naar kokkels, nonnetjes en pikt soms ook een kreeftachtige of worm mee. In de broedgebieden voeden kanoeten zich met insecten, spinnen, kreeftachtigen, slakken, wormen, zaden en knoppen.

 

Scholekster

Scholeksters zijn zwart-witte steltlopers die je vaak ziet aan de kust, maar ook in het binnenland kun je ze aantreffen. De vogel is van afstand al goed te herkennen. Vaak hoor je de vogel eerder dan dat je hem ziet. Hij roept schel ‘’tepiet-tepiet’’. Door het eten van kokkels en mosselen slijt de opvallend roodoranje snavel van de scholekster snel. Hij kan echter ook weer aangroeien. Scholeksters broeden het liefst zo dicht mogelijk bij het wad. Zo kunnen ze hun jongen makkelijk voeden. Scholeksters die een plekje voor hun nest op de kwelderrand hebben bemachtigd worden ‘hokkers’ genoemd. Bij laagwater zijn ze snel bij het wad om voedsel voor hun jongen te halen. De ‘wippers’ broeden op de kwelder en moeten zo’n 500 meter heen en weer wippen tussen hun nest en het wad. Toch heeft het nest van een ‘wipper’ ook voordelen. De overstromingskans bij storm en hoogwater is kleiner.

 

Scholeksters specialiseren zich na hun geboorte in het eten van wormen of schelpdieren, er zijn ook scholeksters die beide eten. Schelpdiereters moeten flink hameren en beitelen voordat ze een schelp hebben opengewerkt en het schelpdier kunnen opeten. Door het gehamer slijt hun snavel snel en krijgen ze een beitelvormige snaveltop. Wormeneters hebben juist een scherpe snavelpunt.

 

Vrouwtjes hebben vaak een iets langere snavel waarmee ze dieper in de grond kunnen peuteren, zij eten dan ook vaker wormen. Naast wormen en schelpdieren (mosselen, kokkels, nonnetjes, alikruikjes) eten scholeksters ook garnalen en krabben. Een Texelse bioloog heeft ontdek dat scholeksters zelf weleens een stukje kwal eten.

 

Kluut

Door zijn gekromde snavel een beetje te openen en met zijn kop heen en weer door ondiep water en slik te bewegen vangt de kluut zijn voedsel. Op de tast vindt hij wormpjes, slakjes, schelpdieren en garnalen.

 

Bijna een kwart van alle West-Europese kluten broedt in Nederland. Vaak in kolonies. 3 of 4 eieren worden tussen april en juni in een kuiltje in de grond gelegd. Na 25 tot 35 dagen komen de eieren uit. De jongen zijn nestvlieders, dat betekent dat ze het nest al snel verlaten als ze uit het ei gekropen zijn. Ze zoeken zelf naar voedsel. De ouders zijn er om bescherming en warmte te bieden.

 

Kluten die in ons land broeden, trekken in het najaar naar Zuiswest-Europa en Noordwest-Afrika om daar te overwinteren. Ze overwinteren echter ook steeds vaker in Nederland. Vanaf februari/maart keren de kluten terug naar Nederland.

 

In onderstaande filmpje zie je een jonge kluut het nest verlaten.

 

Zilvermeeuw

De zilvermeeuw is een echte alleseter: van schelpdieren, vis, krabben, zeesterren en wadpieren tot aan friet en brood. Ook eieren en kuikens van kustvogels worden gegeten door de zilvermeeuw. Hij zoekt zijn voedsel in groepen, samen met andere meeuwensoorten. Vaak zie je ze achter vissersboten aanvliegen. Om schelpen open te krijgen vliegt de zilvermeeuw ermee naar de dijk en laat ze van grote hoogte vallen, waardoor de schelp
openbreekt.

 

Opvallend aan de snavel zijn de rode vlek en ‘neusgaten’. De ‘neusgaten’ zorgen ervoor dat hij overtollig zout kwijt kan raken. Verschillende zeevogels hebben zo’n zoutklier. De rode vlek heeft een functie bij het voeden van de jongen. Wanneer een jonge meeuw met zijn snavel op de rode vlek tikt geeft de volwassen meeuw voedsel op. Zilvermeeuwen broeden voornamelijk in kustgebieden, op de grond. Doordat vossen de nesten regelmatig leegroven verlegt de zilvermeeuw zijn broedgebied naar steden, waar hij op daken broedt. Van maart tot augustus zijn de vogels voornamelijk aan de kust te vinden. Daarna verspreiden de vogels zich richting stedelijke gebieden en industrieterreinen waar veel afval ligt. Veel van de broedende meeuwen overwinteren ook in Nederland.

 

Eidereend

Eidereenden gaan zwemmend en duikend op zoek naar voedsel. Ze kunnen tot wel 10 meter diep duiken. Op de wadbodem bemachtigen ze voornamelijk schelpdieren als kokkels, alikruiken, nonnetjes en mosselenSoms pikken ze ook een kleine krab, zeester of vis mee. Eidereenden hebben een krachtige maagspier. Schelpdieren slikken ze in één keer door. De schelp wordt in de maag vermalen. De kleine stukjes schelp worden weer uitgepoept. Onderzoekers schatten dat eidereenden in de Waddenzee jaarlijks 14,7 miljoen kilo schelpdiervlees opeten. 


Van begin april tot begin juni leggen vrouwtjes de eieren, meestal 4 tot 6 stuks. Jonge vrouwtjes  leggen soms eieren in de nesten van familieleden. Zo schakelen ze de hulp van hun moeder of tante in bij het grootbrengen van de jongen. Als de eieren uitgekomen zijn zoeken moeders opnieuw hulp bij elkaar. Een aantal eidereendmoeders brengt samen de jongen groot. Ze vormen zogenaamde crèches. De overleving van eidereendkuikens hangt erg af van de oplettendheid van de moeders. Meeuwen zien in een afgedwaalde kuiken een lekker hapje. Samen zorgen de moeders ervoor dat hun jongen niet afdwalen. Crèches kunnen bestaan uit 150 kuikens!

 

Meer Wadden

>> Lees meer over het voedsel van de vogels

>> Zo beschermt de Waddenvereniging de natuur

>> Zelf iets doen voor de Wadden?