Meeliften bij eb en vloed

 

Door de lengte van de Vismigratierivier Afsluitdijk kunnen vissen geleidelijk wennen aan de overgang tussen zout en zoet water. Ze kunnen er een tijdje verblijven en zwemmen daarna door naar hun voortplantingsgebieden in en voorbij het IJsselmeer. Bij hun tocht van de Waddenzee naar het IJsselmeer krijgen de vissen een extra zetje mee door het naar binnen trekkende tij.


De Vismigratierivier Afsluitdijk begint te stromen als het eb wordt, dus als het laag water wordt op de Waddenzee. Het zoete water van het IJsselmeer stroomt de Waddenzee in en vormt daar een lokstroom voor de verschillende trekvissen. Wanneer het water stijgt, komt de rivier tot stilstand. En daarna, bij vloed, stroomt de rivier de andere kant op: een knap staaltje van eco-engineering dat de Vismigratierivier Afsluitdijk zo bijzonder maakt.


Sterke en zwakke zwemmers

Sterke zwemmers als zalm en zeeforel zwemmen graag tegen de zoete stroom in. Zij kunnen nu bij laag water op eigen kracht het zoete IJsselmeerwater bereiken. Bot, jonge paling, spiering en driedoornige stekelbaars zijn zwakkere zwemmers. Zij laten zich meevoeren op de vloedstroom om het IJsselmeer te bereiken. Zo biedt de Vismigratierivier Afsluitdijk 24 uur per dag het hele jaar rond kansen voor trekvissen.

 

Veiligheid gewaarborgd

 Bij noodsituaties kan de Vismigratierivier Afsluitdijk aan beide kanten worden afgesloten. Dit, en de lengte van de rivier gekoppeld aan de wisseling van de getijdestroom, zorgen ervoor dat er geen zout water in het IJsselmeer kan komen. Dat is een voorwaarde, want het zoete water is een belangrijke bron van drinkwater voor miljoenen mensen. Ook de veiligheidsfunctie van de Afsluitdijk blijft gewaarborgd. De afsluiting van de Vismigratierivier Afsluitdijk voldoet aan de hoogste eisen van een zgn. primaire waterkering.